Dinsdag 10 mei, 8h45. Ik wandel De Steenhouwer binnen, ga de trap op en hoor gestommel in de keuken. Enkele vrijwilligers zijn al volop bezig met het ordenen van de tafels. Anderen smeren broodjes of maken soep. Die ijver, kosteloos en groothartig... Ik weet alweer waarom ik zo verknocht ben aan De Steenhouwer.
9h15. Ik hoor rumoer dat steeds luider wordt. Dan een bulderende stem en hysterisch geblèr. Steeds luider. Ik sta op van mijn bureau en loop naar de zaal die zojuist open ging. Een grote smoel kaffert één van onze toogvrijwilligers uit. Hij eist méér en nog méér én gratis en slaat met zijn vuist op tafel. En ook al weet ik dat deze gekwetste en gekneusde mens eerder mededogen dan veroordeling verdient, toch kan ik niets anders dan een gloeiende hekel hebben aan deze klepzeiker. En ik vraag me af waarom ik zo verknocht ben aan De Steenhouwer.
10h30. Omwille van het incident ben ik alweer veel te laat voor een vergadering. Ik storm ons centrum uit
en loop naar de Groenplaats om de tram voor mijn neus te zien wegrijden. Ik zie geen andere mogelijkheid dan
een taxi te nemen aan de nabijgelegen taxihaven.
"Hé, ik ken u"
zegt de chauffeur. Ik kan de man niet onmiddellijk thuis brengen.
"Van in De Steenhouwer"
,
gaat hij verder. En inderdaad, ik heb deze man eerder gezien. Een kandidaat vrijwilliger? Een sponsor?
"Tof dat ik je nog eens zie. Kan ik jullie eindelijk bedanken. Ik wou al lang eens langskomen maar je weet hoe dat
gaat."
Een bezoeker? "Zonder jullie was het mij nooit gelukt. Maar nu gaat alles weer goed. Ik rijd nu al 8 maand taxi
en heb al één jaar opnieuw een dak boven mijn hoofd."
Ik herinner me zijn verhaal. Uit de echt gescheiden en van het
ene kwam het andere. "Mijn kinderen mogen nu ook elk weekend bij mij komen. En doe ook de groeten aan Ilse.
En bedank haar in mijn plaats."
Ik stap uit en wens hem nog het beste. Als ik hem nawuif weet ik weer waarom
ik zo verknocht ben aan De Steenhouwer. Daarom.