Jules groeide op in een dorp nabij Tienen. Zijn vader was zelfstandig bezetter
en moedigde zijn zoon aan om ook zelfstandige te worden. Jules volgde de raad van vader op,
kocht een lap grond en plantte er een bakkerij neer. Met succes, want na enkele jaren werkte
Jules met 8 medewerkers. Zijn huwelijk met een jong bakkersmeisje gooide roet in het eten.
Jules’ dromen waren duidelijk de hare niet.
Jules ging aan de slag voor een baas. Hard werken vond hij niet erg, maar niet zijn eigen zin kunnen doen, dat wel! Het geketend zijn aan woonst en werk brak hem zuur op en Jules gaf van de ene dag op de andere zijn ontslag. Zonder één frank trok hij de wereld in.
De volgende zeven jaar zal hij in verschillende streken van Frankrijk leven, rondtrekken en werken. Als zwerver is wijn, te veel wijn, vaak zijn metgezel. En ondanks de zwarte sneeuw die Jules er soms ziet, zal hij zijn keuze nooit betreuren. Kansen op vast werk laat hij steevast aan zich voorbijgaan.
We schrijven 1997. Jules heeft een goed betaalde job in Antwerpen en geniet van een frisse pint op de Vrijdagmarkt. Hij raakt er aan de praat met René Fisher en maakt er kennis met onze prille werking. En wij maken kennis met Jules: een vrijbuiter, een schavuit die nooit om een grap verlegen zit. Een mopperaar ook die met berookte stem de wereld becommentariëert met cynische en droge humor.
Steeds regelmatiger bezoekt hij De Steenhouwer. Af en toe staat hij Willy de kok bij met raad en daad.
Als Willy plots overlijdt en wij met de handen in het haar zitten, doet Jules iets wat velen dom noemen.
Van de ene dag op de andere neemt hij ontslag. En even later staat hij in onze zaal.